gedichten



Nachtgedicht

VIII

 

Lantaarnpalen zwieren, als in een Schubertiade, roetzwart

om zichzelf heen. Kleine reuzenraderen draaien bladschaduwen

over de tegels. Toch is er de man sjokkend naast zijn fiets.

In het Turks mompelt hij een afscheidsgroet naar zijn zoon

in de deur. Lichtcirkels vervagen op rode bakstenen muren.

Onder dakgoten donkere ellipsen. Glans hangt over de stenen;

in de regen blijft een ruis van banden hoorbaar.

Een slungelige jongen tuurt op zijn smartphone, praat

met een trainingsmasker op zijn gezicht. Kalkwit zijn de pilaren

als bevroren sneeuw in volle zon.

 

© Koos van den Kerkhof

 

 

 

 

notendopnotities



Berkenbos

 

Ik denk aan de reis die ik meermalen per week maakte. Een strook bos tussen de spoorlijn en een landweg had men laten volstromen met water. Het berkenbos raakte van water verzadigd. De bomen stierven af en stonden als dode staken in het roerloze watervlak.

Wij brengen het landschap in cultuur omdat we willen bestaan. How sweet I roamed from field to field and tasted all the summer’s pride. Till I the prince of love beheld who in the sunny beams did glide. Leven en dood liggen dicht bij elkaar. Een berkenbos krijgt te veel water en legt het loodje.

 

© Koos van den Kerkhof