Koos van den Kerkhof

gedichten

Nachtgedicht

VIII


Lantaarnpalen zwieren, als in een Schubertiade, roetzwart

om zichzelf heen. Kleine reuzenraderen draaien bladschaduwen

over de tegels. Toch is er de man sjokkend naast zijn fiets.

In het Turks mompelt hij een afscheidsgroet naar zijn zoon

in de deur. Lichtcirkels vervagen op rode bakstenen muren.

Onder dakgoten donkere ellipsen. Glans hangt over de stenen;

in de regen blijft een ruis van banden hoorbaar.

Een slungelige jongen tuurt op zijn smartphone, praat

met een trainingsmasker op zijn gezicht. Kalkwit zijn de pilaren

als bevroren sneeuw in volle zon.


© Koos van den Kerkhof

© Koos van den Kerkhof 2009 - 2018